Nuclear Age: beeldend kunstenaar Eva L'Hoest

eva l'hoest

In samenwerking met het NIRAS engageerde het Belgian National Orchestra beeldend kunstenaar Eva L’Hoest om aan de hand van vier twintigste-eeuwse muziekwerken een voorstelling te maken die op poëtische wijze nadenkt over de langetermijngevolgen van ons nucleaire handelen. Deze voorstelling richt zich naast op volwassen ook expliciet tot de nieuwe generatie: hoe kijken jongeren naar de erfenis van meer dan een halve eeuw nucleair handelen? Een gesprek met Eva L’Hoest.


Waaruit bestaat jouw werkproces als beeldend kunstenaar?

Sinds enkele jaren maak ik installatiefilms die zich uitstrekken tot het medium beeldhouwkunst, virtual reality, 3D-printen en meer recent glasgravures. Ik heb videografie gestudeerd, wat voortkomt uit een combinatie van twee handelingen: kijken en schrijven. Ik denk dat deze combinatie zijn sporen nalaat in de beelden die ik vandaag construeer.

De meeste van mijn werken zijn gemaakt dankzij de hulpmiddelen van CGI: computer gegenereerde beelden of digitale animatie. In de cinema wordt CGI vaak gebruikt om een fictieve verhaallijn te dienen, of als propagandamiddel zoals reclame, demonstraties van vliegtuigongelukken ... Voor mij is CGI een nieuwe vertakking in de enorme genealogie van bewegende beelden, die een nieuwe manier van handwerk met zich meebrengt die de getuigenis van een tijdperk met zich meedraagt. De hulpmiddelen van CGI verlenen aan de beelden een nieuwe ruimte-tijd, buiten het filmframe. De elementen kunnen vanaf de tijdlijn worden uitgebreid in een sculpturale vorm dankzij 3D-printen, digitale freestechnologieën, ... Voor mij is het een mooie analogie met het feit dat het digitale de werelden meer en meer doorlaatbaar maakt, tussen wat tot de gedachte, de realiteit of de simulatie behoort. Het stelt nieuwe soorten fictie en nieuwe paradigma's voor. Je vertrekt van een lege ruimte om een volledige wereld te construeren. Er is iets kosmogonisch aan, dicht bij de tijd van het schrijven.


Inhoudelijk doe je altijd erg veel onderzoek … Waar ben je zoal mee bezig ter voorbereiding van de voorstelling Nuclear Age?

Voor dit project haal ik mijn inspiratie uit het werk en de geschriften van archeologen, ingenieurs, architecten, en door de uitwisseling met de leden van NIRAS en het HADES laboratorium in Mol. Mijn samenwerking met archeologen van de universiteit van Leuven voedt mijn onderzoek, meer bepaald over de notie van tijdelijkheid en begraving. Archeologen en geo-archeologen hebben het vermogen om het onveranderlijke te reanimeren, om het onzichtbare te visualiseren, zoals de trage metamorfoses van het landschap en hun impact op de levenden. Op een meer antropologische manier stellen zij ook vragen over de wijze waarop afval en de behandeling ervan een beschaving kenmerken. Sommige van de beschavingen die zij bestuderen, hebben schriftvormen die nog niet zijn ontcijferd. Hun studie roept vragen op over de overdracht van kennis gedurende duizenden jaren: een duizeling die centraal staat in het nucleaire vraagstuk.


Het uitgangspunt van de voorstelling Nuclear Age wordt gevormd door vier twintigste-eeuwse muziekwerken. Heb jij veel voeling met (klassieke) muziek?

Mijn kennismaking met klassieke muziek begon tijdens vioollessen op zevenjarige leeftijd. Ik herinner me nog een gezongen partituur van Bach. Ik heb ook altijd gehouden van het hele scala van sensaties die instrumenten begeleiden; de geur van hars op de haren van de strijkstok, de geur van het houtwerk van de lichamen van de instrumenten ... Ook hun meer luidruchtige begeleiding, zoals het geroezemoes van muzikanten die stemmen, het getik van vingers op een pianotoets. Klassieke muziek volgde me later in films die belangrijk waren bij mijn kennismaking met het medium cinema. Het werk van Michael Nyman ontdekte ik bijvoorbeeld in de films van Peter Greenaway, dat van Sergej Jevtoesjenko in de films Alexandre Sokourov, Nicola Piovani bij Nanni Moretti, Terry Riley in de film van Alexander Whitelaw. En daarnaast waren er natuurlijk ook Johannes Brahms, Dmitri Shostakovich, Prokofiev …  Dat zijn de componisten die ik altijd al belangrijk heb gevonden. In mijn videoprojecten krijgt klank altijd weer een centrale rol toebedeeld. Je zou kunnen zeggen dat CGI-beelden muziek nodig hebben om tot leven te komen, om warm te worden, om diepte te verkrijgen … Ik heb altijd samengewerkt met componisten die een sterke gevoeligheid voor beelden hebben of zelf beeldend kunstenaar zijn, zoals François Boulanger (ssaliva), Christina Vantzou of John Also Bennett. Ik werk graag met muzikanten voor wie de overgang tussen analoog en digitaal een creatieve hefboom is, en die deze overdrachten op hun eigen unieke manier behandelen.

Ik werd onlangs ook geïnspireerd door het werk van Adolphe Appia, een baanbrekend scenograaf en lichtontwerper die Wagners muziekdrama's ensceneerde aan de hand van fenomenale tekeningen. Hij was een van de eersten die driedimensionaal met theater speelde dankzij zijn begrip van het kunstlicht.


Op het programma staat een fragment uit Glass’ opera Akhnatan, De vuurvogel van Stravinsky, Liquid Marble van Anders Hillborg en Sibelius’ Swan of Tuonela.

Dat klopt! Deze muziek is cruciaal voor de beelden die ik maak. Vooral wat betreft de inhoud. Ik bouw de beelden op de semiotiek van de werken die worden uitgevoerd. De opera Akhnaten neemt ons mee naar het oude Egypte. Dat is spannend materiaal om mee te werken. De farao Achnaton markeert ook het begin van het monotheïsme, het geloof in één enkele godheid, één enkele bron van energie. In Stravinsky's Vuurvogel word ik ook geïnspireerd door de biografie van de auteur, zijn connectie met de Disney Studios en Fantasia. Dit is impliciet verbonden met de geschiedenis van de special effects studio's en de komst van CGI. De Vuurvogel zelf is ook een figuur die een vorm van dualiteit in zich draagt, hij kan ongeluk en geluk tegelijk brengen. Wat redt en wat vernietigt. Het gif en de remedie. Die tegenstelling is nergens zo duidelijk als in het geval van de kernfysica, die een reddende technologie kan zijn of een vernietigende kracht. Dezelfde tegenstelling is ook te vinden in Sibelius' Zwaan en de legenden van de Kalevala. Liquid Marble van Anders Hillborg, het meest recente werk van de vier, is voor mij een bijna directe weergave van wat er in een reactorkamer gebeurt, met al het levendige gevaar dat plutonium vertegenwoordigt.


Voor deze voorstelling werk je nauw samen met het NIRAS. Had je ooit al van deze organisatie en hun bezigheden – het zoeken naar langetermijnoplossingen voor het bergen van nucleair afval – gehoord?

Nee, dit was een nieuwe wereld voor mij. Voor mij is de bal pas echt gaan rollen tijdens de Covid-crisis, net zoals voor vele anderen. Het debat over kernenergie heeft een prominentere dimensie gekregen, vooral door de manier waarop de pandemie expliciet de kwestie van energetische codependency naar voren brengt. Een vertakking van dit debat brengt het probleem van de opslag van kernafval naar boven en, onder andere, onze economische capaciteit om de kerncentrales in goede staat te houden. Een bepaalde massa voor onbepaalde duur afzonderen van de buitenwereld, helemaal gaan isoleren … In de coronacrisis resoneerde dat ook op persoonlijk vlak. Ook wij moesten namelijk geïsoleerd, afgezonderd worden. Ik was sterk onder de indruk van een bezoek aan de NIRAS-installaties. In een tunnel, 225 meter onder de grond, doen ze al tientallen jaren onderzoek naar verschillende opslagmethoden. Dat gaat volledig voorbij aan onze tijdshorizon.


De voorstelling richt zich niet alleen tot volwassenen, maar ook tot jongeren. Wat kunnen zij verwachten?

Een grote emotionele impact, hoop ik. Dat is waar ik altijd naar streef, los van enige theoretische context, al is die wel belangrijk in de ontwikkeling van het werk. De beelden zullen het resultaat zijn van een aantal anekdotes, nieuwsfeiten en raadsels waarvan ik hoop dat ze de nieuwsgierigheid van de kijker zullen wekken. En natuurlijk zal alles intens verbonden zijn met de overweldigende muziek gespeeld door het Belgian National Orchestra.