Op 21 en 22 februari in Namen en Bozar zal het BNO de beroemde “Pathétique” van Tchaikovsky uitvoeren, het laatste romantische meesterwerk van de componist. Ontdek meer over de geschiedenis en de opbouw van deze muziek in deze tekst van musicoloog Pieter Mannaerts.
‘Pathos’ stond bij de oude Grieken voor de kracht van emotie. Het was een essentieel begrip voor de ethiek en de kunst, aangezien vreugde en verdriet, woede, medelijden en angst het menselijk denken en handelen sterk beïnvloeden. Denkers als Aristoteles benadrukt dat de retoriek direct aan onze emoties appelleert – al blijft de bijsturing van de rede noodzakelijk. De Stoïcijnen daarentegen waren huiverig voor de verstoring van de ziel door onbeheersbare passies en pleitten voor een onverstoorbare a–patheia.
Van apathie of stoïcisme kan je componisten uit de Romantiek niet verdenken. Integendeel, in de lange negentiende eeuw vond het ‘pathos’–idee ruime weerklank. Het is haast te letterlijk om waar te zijn: Beethovens pianosonate opus 13 (1798) en Tchaikovsky’s Zesde Symfonie opus 74 (1893) werden op bijna een eeuw afstand van elkaar gecomponeerd en kregen beide de bijnaam ‘Pathétique’. Maar een ‘pathetisch’ etiket was absoluut geen vereiste: componisten als Tchaikovsky en talloze tijdgenoten zochten de emotionele diepte en intensiteit van het menselijke gevoel op, vertolkten innerlijke stormen en extatische hoogtepunten om hart en verbeelding van de luisteraar te raken.
Net als de bijnaam van Beethovens pianosonate (bedacht door diens uitgever Joseph Eder) was ook de ondertitel van Tchaikovsky’s Zesde Symfonie niet van de componist afkomstig. De bijnaam ‘Pathétique’ werd gegeven door diens broer Modest. Het Russische woord ‘Pateticheskaya’ betekent allerminst zielig, maar ‘vol pathos’ of ‘passioneel’. Dat de symfonie beladen is met drama en intense emotie, blijkt al meteen in het eerste deel: vanuit een zeer stille klanksterkte (pianissimo) in de laagste regionen (fagotten en contrabas) construeert de componist binnen de eerste minuten een meesterlijke opbouw naar een indrukwekkende climax.
De tweede beweging is beroemd door haar vijfdelige maatsoort (5/4). Ondanks de keuze voor een onregelmatige maatsoort slaagt de componist erin om dit deel elegant en soepel te laten klinken. Tchaikovsky bereikt dit effect door in de drieledige helft (3/4) regelmatig een lange noot te plaatsen, wat voor een rustpunt in de melodie zorgt. Hoewel de vijfdelige maatsoort nooit echt ingeburgerd zou raken, was ze in de late negentiende eeuw minder zeldzaam dan je zou denken. De ‘valse en cinq temps’ was enkele decennia lang zelfs een modetrend. Ook zijn 18 Pianostukken opus 72 bevatten een Valse en cinq temps (nr. 16).
In brieven aan zijn neef Vladimir Davidov, aan wie de symfonie is opgedragen, is de ontstaansgeschiedenis van Tchaikovsky’s Zesde Symfonie goed te volgen. Tchaikovsky voelde zich bijzonder geïnspireerd tijdens het componeren en het werk kwam snel tot stand. Uit de brieven blijkt dat hij bijzonder trots was over het slotdeel, dat, in tegenstelling tot de triomfantelijke climax van het Scherzo, in de grootste stilte uitmondt.
De symfonie zou Tchaikovsky’s laatste compositie worden. Het werk werd bij de première eerder matig ontvangen, maar zou vanaf de tweede uitvoering steeds populairder worden. Twee elementen hebben bijgedragen tot de blijvende fascinatie voor dit werk. In de eerste plaats Tchaikovsky’s overlijden nét na de première van het werk: vermoedelijk stierf hij aan cholera na een drinkwaterbesmetting. (De theorie dat de componist zelfmoord zou hebben gepleegd omwille van zijn homoseksualiteit is pure speculatie.) De tweede factor is het vermeende programma van de symfonie. Tchaikovsky alludeert hierop in zijn brieven, maar het eigenlijke programma zou voor altijd een mysterie blijven.
